|
|
||||||||||||||||||||||
Trilobieten
De speld bij de foto's dient als aanduiding van de grootte. Ze is drie centimeter lang. Trilobieten zijn uitgestorven geleedpotige dieren die in zee leefden. De eerste soorten komen we al in het Onder-Cambrium, zo’n 521 miljoen jaar geleden tegen. Ongeveer 250 miljoen jaar geleden, aan het einde van het Perm stierven ze uit. In die tijd vond er een enorme massaextinctie plaats waarbij ongeveer 95% van al het mariene leven op aarde verdween. In die tijd stierf ook 70% van alle gewervelde dieren op het land uit. Met hun aanwezigheid van ruim 270 miljoen jaar op onze planeet kunnen we de trilobieten dus best succesvol noemen. Er zijn inmiddels zo’n 25.000 soorten bekend.
Driedeling van de trilobieten Bij het lichaam van trilobieten kennen we een driedeling (afbeelding 1). Aan de voorkant ervan vinden we het kopgedeelte (het cephalon). Daarachter komt dan het rompgedeelte (thorax). Achteraan zit het staartgedeelte (pygidium). Bij gefossiliseerde trilobieten vinden we vrijwel nooit het complete cephalon. De zogenaamde vrije wangen van dit gedeelte raken bij de fossilisatie vaak los van de rest waardoor ze bij het fossiel ontbreken. In dat geval spreken we bij het kopgedeelte van het cranidium in plaats van het cephalon. Ook als we de trilobiet van links naar rechts bekijken, is er een driedeling mogelijk (afbeelding 1). Van links naar rechts vinden we dan de linker pleurale lob, de axiale lob en de rechter pleurale lob. De naam trilobiet is van deze driedeling afkomstig.
Het exoskelet van trilobieten Trilobieten hadden een exoskelet (uitwendig skelet) van chitine. Het is een soort harnas aan de buitenkant van het lichaam. Tegenwoordig komen we ook nog dieren tegen met een exoskelet. Denk daarbij maar aan insecten en spinnen. Dit skelet beschermt hun organen en is een aanhechtingsplaats voor de spieren. Het exoskelet van trilobieten is opgebouwd uit segmenten. Bij het eerder genoemde kopgedeelte en staartgedeelte zijn deze samengegroeid (afbeelding 2). De segmenten van het rompgedeelte zijn beweeglijk; ze kunnen scharnieren. Daardoor konden trilobieten zich oprollen (afbeelding 5). Tegenwoordig kunnen we dit verschijnsel nog bij bijvoorbeeld bepaalde soorten pissebedden (afbeelding 3) waarnemen. Deze geleedpotige dieren hebben ook beweeglijke segmenten die kunnen scharnieren.
De ogen van trilobieten Veel soorten trilobieten hadden (twee) goed ontwikkelde facetogen. Deze zaten meestal aan de bovenkant van het cephalon. Facetogen, ofwel samengestelde ogen, bestaan uit een groter aantal deeloogjes die allemaal een stukje licht opvangen. Met die individuele stukjes licht (beeldjes) wordt dan een samengesteld beeld, een mozaïekbeeld gevormd. De afzonderlijke facetjes van het facetoog van trilobieten bestonden uit calciet. Dat is best uitzonderlijk; naast trilobieten kennen we geen andere dieren met calcietlenzen. De geleedpotigen van nu hebben facetogen van een vrij zacht weefsel. Doordat calciet een hard mineraal is, konden de ogen van trilobieten in de fossiele overblijfselen van de dieren bewaard blijven. Maar er waren ook soorten trilobieten die geen ogen hadden. Een voorbeeld daarvan is Agnostus pisiformis (afbeelding 4). Deze heel kleine trilobiet (maar iets meer dan een halve centimeter) doet qua uiterlijk ook niet direct denken aan de voorstelling die de meesten van trilobieten hebben. Verder kennen we ook een klein aantal soorten trilobieten met ogen op steeltjes. Waarschijnlijk leefden die in de zeebodem waarbij alleen de ogen boven die bodem uitstaken.
Het vervellen van trilobieten Net zoals de geleedpotige dieren die we tegenwoordig kennen, vervelden trilobieten. Doordat hun harde exoskelet niet meegroeide, moesten ze er regelmatig uitkruipen om verder te kunnen groeien. Dat verder groeien gebeurde dan snel waarna het nieuwe exoskelet hard werd. Bij fossielen van trilobieten die we tegenwoordig tegenkomen kan het om zo’n afgestoten exoskelet gaan. Bij het vervellen van trilobieten waren ook hun facetogen betrokken. Na de groeifase was het aantal facetjes ervan toegenomen.
De onderzijde van trilobieten Over de onderzijde (de ventrale zijde) van de trilobieten weten we veel minder dan van de bovenzijde (dorsale zijde). Aan de onderzijde zitten namelijk maar weinig harde delen waardoor de kans op het fossiliseren ervan ook veel geringer is. Tot de weke delen aan de onderzijde van trilobieten behoren kieuwen en poten en antennen. De trilobieten die we als fossiel terugvinden, bestaan daarom vooral uit de bovenzijde van de dieren. De onderzijde is vergaan waardoor deze direct overgaat in het omringende sediment.
Levenswijze Bij trilobieten kwamen verschillende levenswijzen voor. Sommige ervan waren echte roofdieren, andere waren aaseters en weer andere waren voedselfilteraars. De meeste leefden op de bodem van de zee maar er waren ook soorten die rondzwommen. En dan waren er ook de soorten die zich in de zeebodem groeven.
Variatie in grootte en verscheidenheid Net zoals er verschillen in levenswijze waren, varieerden trilobieten ook in grootte en konden ze er heel verschillend uitzien (afbeelding 7 en 8). De kleinste waren niet veel groter dan 3 mm terwijl de grootste soort – Isotelus rex – tot 72 centimeter lang kon worden.
Verschillende leefmilieus Ook de zeemilieus waarin trilobieten voorkwamen kunnen verschillend zijn. Ze kwamen wereldwijd van ondiepe lagunes tot in de diepzee voor.
Literatuur (in willekeurige volgorde) • Technologie en lichaamsbouw van trilobieten – R.J. Poort – GEA – september 2001, nr. 3 • Trilobietenogen nader bekeken – P.J. Hille – GEA – september 2001, nr. 3 • Trilobita – website Paleontica • The Lifestiles of the Trilobites – Richard Fortey – website American Scientist • Trilobieten – pagina op website Wikipedia • Isotelus – pagina op website Wikipedia Bij de websitepagina’s gaat het om de versies die op 12 juli 2026 op internet stonden. Tekst en foto's: Jan Weertz |
||||||||||||||||||||||
| © De Belemniet |