|








|
Plooien en breuken
Deutsche
Version
De
buitenste laag van de
aarde is verdeeld in
een aantal enorme gesteenteplaten of continenten die zich langzaam over
het
aardoppervlak bewegen. Ze 'drijven' min of meer over de taai vloeibare
onderliggende laag. Dit verschijnsel staat bekend als de
plaattektoniek.
Doordat de platen over het aardoppervlak bewegen, kunnen ze in botsing
met
elkaar komen waarbij de ene plaat zelfs onder de andere kan schuiven.
Door
zulke botsingen kunnen enorme gesteentepakketten buigen en vervormen en
kunnen
gebergteketens ontstaan. Zo zijn de Alpen ontstaan door de botsing van
twee
platen, die bekend zijn als de Afrikaanse plaat en de Euraziatische
plaat
waarop wij leven. Gebergtevorming waarbij gebergten zoals de Alpen,
Karpaten en Himalaya zijn ontstaan, noemen we ook wel orogenese.
 |
| Afbeelding
1. Syncline van Freyr langs de
Maas in België (links)
en puntplooi bij
Großlittger Mühle in de Eifel, Duitsland (rechts). |
De gevolgen van zulke
botsingen kunnen we tot ver op de
continenten tegenkomen als vervormingen in de gesteentemassa's. Zo
vinden we ze
ook in de vorm van plooiingen. De basisvormen van deze plooiingen zijn anticlines ofwel anticlinalen
en synclines of synclinalen. Bij
anticlines is
het gesteente naar boven geplooid (ᴖ) en bij synclines naar beneden
(ᴗ). Zulke
plooien kunnen heel klein zijn (waarbij de uiteinden vaak maar enkele
centimeters van elkaar liggen) maar ook hele grote exemplaren (waarbij
de
uiteinden kilometers uit elkaar liggen) komen voor (afbeelding 1).
 |
| Afbeelding
2. Deformatie van gesteente
met onder andere anticlinale en synclinale plooi bij Calico in
Californië (USA). |
 |
| Afbeelding
3. Links:
de Cloosfalte, een plooi in
het Ahrgebied in Duitsland. Midden:
plooiing op grote schaal in
het Berchtesgadener Land in de Alpen. Rechts:
door plooiing bijna rechtop
staande afzettingen bij Dinant. |
Naast de hier genoemde
basisvormen, komen plooien in allerlei variaties en vormen voor. Zo
kennen we
bijvoorbeeld diverse stadia van overhellen.
 |
| Afbeelding
4. Links:
deel van een grote
anticline bij
Embourg/Angleur. Midden:
door plooiing verticaal staande afzettingen
bij Dinant in België. Rechts:
door plooiing bijna rechtop
staande afzettingen bij Yvoir in
België. |
Door het vervormen kan de
samenhang
in het gesteente verloren gaan. Dan treden breuken op. We spreken van
een
diaklaas als de gesteenten aan beide zijden van de breuk niet zijn
verschoven. Zijn ze wel verschoven
dan
spreken we van een verschuiving (afbeelding 6). De ruimte die bij het breken ontstaat,
wordt
later vaak opgevuld met kwarts. Dat zien we dan als witte aders in het
gesteente (afbeelding 6). Verschuivingen kunnen zowel in horizontale als verticale
richting
plaatsvinden.
 |
| Afbeelding
5. Plooiing op kleinere schaal
bij de Adalbertkirche
in Aken (Aachen), Duitsland. |
 |
| Afbeelding
6. Verschuiving bij Schuld (D)
en kwartsaders in Ierland. |
Op breukvlakken kunnen we
wrijfkrassen aantreffen doordat de
gesteentevlakken langs of over elkaar zijn geschoven. Bij breuken geldt
weer
dat ze over enkele centimeters maar ook over vele kilometers kunnen
voorkomen.
Een voorbeeld van zo'n breuk die over grotere afstand voorkomt, is de
Peelrandbreuk die we in Nederland op een aantal plaatsen ook aan de
oppervlakte
kunnen waarnemen (afbeelding 7).
 |
| Afbeelding
7. Links:
de Peelrandbreuk in Noord-Brabant, Nederland. De
gele pijlen geven aan waar de breuk als een trap in het landschap te
zien is. Midden
en rechts: geplooide gesteenten kunnen door afbraak en
verwering
tot kleinere stukken vervallen die dan weer door gletsjers en rivieren
getransporteerd worden. De plooistructuur blijft echter behouden zoals
in deze vuistgrote Zwitserse zwerfsteen (in het midden de
buitenkant en rechts
de gepolijste binnenkant) te zien is. |
Tekst en foto's: Jan Weertz
|
|